Autobusmuseum aan de rand van Tolhek

De Stichting Haags Bus Museum wil aan de rand van Tolhek een autobusmuseum realiseren. De stichting beschikt nu over ongeveer dertig historische autobussen die her en der in de provincie gestald staan. Ze hebben op dit moment vijftien stadsbussen en vijftien streekbussen van verschillende steden en streken uit Zuid-Holland. De oudste is uit 1936 en de jongste uit 2001. Ze hebben Pijnacker ‘gevonden’ als mooie centrale plek. Gisteren, woensdag 23 mei, was er een inloopavond waar je ‘met de bus’ vanuit Tolhek naar toe kon. Eind vorige week hadden we een gesprek met twee vrijwilligers die actief zijn bij de Stichting Haags Bus Museum.

Door Sjaak Oudshoorn

 

Dat zijn Kevin Kloosterman en Ronald van Apeldoorn, jonge Haagse mannen die via hun opa in het fenomeen bus geïnteresseerd geraakt zijn. De opa van Kevin (29) heeft veertig jaar bij de HTM gewerkt in diverse functies. De opa van Ronald (39) had een sloopbedrijf van onder meer bussen. Je kan dus zeggen dat Ronald nu het tegenovergestelde doet van waar zijn opa mee bezig was: hij probeert bussen te behouden door ze te helpen opknappen. Dat is ook het doel van de Stichting Haags Bus Museum: behouden en opknappen van oude bussen en die tentoonstellen zodat mensen weer even lekker kunnen terugdromen naar de tijd van toen. ICT-er Ronald is vooral in historie geïnteresseerd. Bij Kevin – hij is techniekdocent in het MBO-onderwijs bij het Mondriaan – gaat het vooral om de techniek. “Ik vind het prachtig om te zien hoe die techniek bij die oude bussen in de tijd ontwikkelde. Het is leuk om dat zo te helpen herstellen dat ze weer kunnen rijden.” De allereerste bus die op deze wijze werd opgeknapt, betrof een Haagse bus die op vliegveld Zestienhoven in Rotterdam terecht was gekomen en daar gebruikt werd als platformbus. Ronald: “Het was een hele toer om hem in oude glorie te herstellen, maar toen dat lukte smaakte dat naar meer.” Na dat begin volgden er meer bussen en er kwamen allerlei vrijwilligers die het leuk vonden om met bushistorie bezig te zijn. Ronald: “Het mooie van onze stichting is dat die helemaal op vrijwilligers draait. Van jurist tot techneut en van onderwijzer tot ambtenaar. Alleen dat al maakt zo’n stichting leuk: met verschillende mensen, jong en minder jong, deel je dezelfde belangstelling en heb je hetzelfde doel.” Op deze manier heeft de stichting dus zo’n dertig oude bussen opgeknapt.

Een vijfde deel van de bussen staat tentoongesteld in het Haags OV-museum aan de Parallelweg in Den Haag. Trams vormen de hoofdmoot daar en door het groeiende aantal historische trams slinkt evenredig de ruimte voor de bussen. Vandaar het plan om centraal in de provincie een eigen museum op te richten. Dat wordt een bestaande loods die nu nog in Rijswijk staat. De bedoeling is dat die wordt gedemonteerd en herbouwd tegenover het Gezondheidscentrum Tolhek, in het verlengde van de Gantellaan. Het gebouw komt 120 meter vanaf de wijk en 80 meter vanaf het ‘opstijgstation’ van de hoogspanningsmasten. Kevin en Ronald vertellen dat het plan voor nu drieledig is: een expositieruimte voor de dertig bussen, een kleinschalige horecavoorziening met terras en een werkplaats. Het gebouw heeft dan een oppervlakte van 3.400 vierkante meter en is 9.90 meter hoog. Dat is vrij normaal voor een dergelijk gebouw. In een veel later stadium wordt nog gedacht aan een extra expositieloods. De heren begrijpen heel goed dat de woonomgeving zich afvraagt wat er precies komt en hoe ze bepaalde zaken denken aan te pakken en te regelen. Het museum zal normaal alleen in het weekend open zijn. Het zal per zaterdag of zondag om hooguit honderd bezoekers gaan. Deels komen die met de auto maar gezien de ervaring in Den Haag zullen de meesten het openbaar vervoer gebruiken. Om dat laatste te stimuleren zullen ze met een historische bus vanaf de RandstadRail naar het museum worden vervoerd. Zelfs gisteravond ten behoeve van de informatie-avond in het bestuurscentrum van de gemeente ‘werd er een oude bus ingezet’.

De mensen van de stichting willen zo goed mogelijk uitleggen wat de bedoeling is van het museum en wat ze van plan zijn qua inrichting en aankleding. Parkeren gebeurt in elk geval op eigen terrein. Daar is ruimte genoeg voor. Dat gaat dus niet de wijk belasten. Ze willen het gebouw zo goed mogelijk inpassen in de groene omgeving door het met groen aan te kleden en te omlijsten. Mede door de afstand en mede doordat het werk inpandig in een werkplaats gebeurt zal er geen geluidsoverlast zijn. Het Zuid-Hollands Autobus Museum is bedoeld om liefhebbers de gelegenheid te geven te komen kijken, voelen en beleven. Als toeschouwer of als vrijwillig medewerker. Verder krijgt het museum ook een educatief aspect. Schoolklassen kunnen een lesje openbaar vervoer krijgen, techniek en ook een les verkeersveiligheid over ‘de dode hoek’ bijvoorbeeld. Het gebouw zal er nog niet meteen staan. Op z’n vroegst medio 2019. Eerst moet de gemeenteraad het bestemmingsplan nog aanpassen. Op deze locatie was een sportcentrum en een tennispark voorzien. Dat is allemaal niet doorgegaan. De gemeente is nu bezig voor het geheel een nieuw bestemmingsplan te maken waarbij het autobusmuseum zou moeten worden ingepast. Het College van B&W staat positief tegenover het plan maar de raad heeft de eindbeslissing. Kevin, Ronald en hun mede-autobushistorieliefhebbers zijn volop bereid met omwonenden en andere  belanghebbenden in gesprek te gaan. Ze zijn vol vertrouwen dat dit tot eensluidendheid zal leiden. Zelf zijn ze als liefhebbers niet helemaal objectief, maar ze vinden het Zuid-Hollands Autobus Museum niet alleen als aanwinst voor hun eigen stichting maar voor heel Pijnacker-Nootdorp en directe omgeving!

 

Artikel verschenen in Telstar van 24 mei 2018